Mag je als verhuurder weigeren verder te verhuren aan een overblijvende huurder ingeval van een vertrekkende huurder?
Wanneer een koppel dat samen een woning huurt uit elkaar gaat, rijst vaak de vraag wat er gebeurt als één van beide huurders wil vertrekken terwijl de andere in de woning wenst te blijven.
Volgens artikel 52, § 3 van het Vlaams Woninghuurdecreeet (VWHD) heeft elke huurder het recht om de huurovereenkomst ten persoonlijke titel op te zeggen. Indien slechts één van de huurders opzegt ten persoonlijke titel (en de andere huurder niet vertrekt), dan moet de vertrekkende huurder daarbij wel een opzegtermijn van drie maanden respecteren, maar is geen opzegvergoeding verschuldigd.
Voor verhuurders kan deze situatie onzekerheid met zich meebrengen, zeker wanneer de overblijvende huurder onvoldoende financiële garanties biedt om de huurlasten alleen te dragen. De verhuurder kan zich niet verzetten tegen het verderzetten van de huurovereenkomst door overblijvende huurder. Hij dient de lopende huurovereenkomst daarbij te respecteren.
De wet voorziet wel een bescherming voor de verhuurder indien er geen nieuwe huurder wordt voorgesteld of deze wordt niet aanvaard (door de verhuurder en de medehuurder(s) of na een beslissing door de Vrederechter). De verhuurder kan de vertrekkende huurder nog gedurende zes maanden na zijn vertrek aanspreken voor de betaling van de huurprijs en eventuele huurschulden (art. 52, § 3, laatste lid VWHD).
Na afloop van deze termijn van zes maanden rust de volledige betalingsverplichting op de resterende huurder, inclusief het aandeel waartoe de vertrekkende huurder voorheen was gehouden.